Taboe

Maandagochtend, grote visite. De benauwde koffiekamer is tot de laatste stoel gevuld met witte jassen. Er zijn twee oncologen, drie specialisten in opleiding, twee coassistenten en ik zelf. We kijken naar het bloedbeeld van mevrouw Mulder, dat op een scherm is geprojecteerd. Aan de gezichten van de medici valt af te lezen dat het niet best is. 

‘Hoe lang heeft ze al koorts?’ De oudste van de twee oncologen stelt de vraag zonder zijn ogen van het scherm af te wenden. ‘Sinds opname’, antwoord ik in de veronderstelling dat de vraag aan mij is gericht, ‘ruim zes dagen dus.’ ‘En hoe lang krijgt ze al Meropenem?’ ‘Net zo lang, de eerste gift was op de dag van opname.’  Wat volgt is een verhitte discussie over het hoge CRP, de leukopenie en de daarmee samenhangende, aanhoudende koorts. Ik hoor het medisch technisch gebeuren gelaten aan.

Mevrouw Mulder ken ik als een vermoeide vrouw die het liefst de hele dag slaapt. Eten doet ze niet. Af en toe drinkt ze een half flesje Nutridrink, op aandringen van haar man of de verpleging. Tijdens eerdere opnames vertelde ze nog graag over de Opstand en de Tachtigjarige oorlog. Maar het Plakkaat van Verlatinghe lijkt de voormalig geschiedenislerares niet meer te boeien. Ze heeft er de fut niet voor. Alles dat haar uit de slaap houdt lijkt ze als irritant te ervaren.

Ze verkeert in haar laatste levensfase. Twee kuren heeft ze dit jaar ondergaan, allebei zonder succes. Volgende week staat er nog een kuur gepland. De hoop is dat deze wel aanslaat en er nog wat tijd rest om samen thuis door te brengen. De kans daarop is klein, gezien haar conditie.

Als verpleegkundige voel ik mij soms behoorlijk eenzaam in mijn beleving. Ik verpleeg een stervende vrouw, dat zie ik. Maar de familie wil alleen praten over de behandeling. Over hoe de koorts bestreden wordt, hoe het met de bloeddruk is en of er nog kweken zijn gedaan. ‘En zorg je er alsjeblieft voor dat ze voldoende binnenkrijgt?’

Tijdens de grote visite wordt besloten de antibiotica uit te breiden en nog een scan van de longen te maken. Zolang we met z’n allen zoeken naar mogelijkheden om mevrouw Mulder toch die laatste kuur te laten ondergaan, hoeven we het niet over het einde te hebben.

Op het prikbord in de koffiekamer, precies achter de twee oncologen, hangt een brief. Hij is geschreven door de echtgenote van meneer Venema. Voor aanvang van de grote visite heb ik hem gelezen. Meneer Venema is onlangs overleden. We worden in de brief bedankt voor de uitstekende zorg. Ook meneer Venema hebben we lang doorbehandeld. Net als de familie Mulder wilden meneer en mevrouw Venema niet over het einde praten. Menneer Venema is nu dood en mevrouw Venema, zo schrijft ze, is dankbaar voor hoe het is gegaan.

Misschien moet ik niet zeuren over de eenzaamheid van mijn beleving. Misschien is het goed als ik leer inzien dat mensen het gewoon prettig vinden dat er een taboe rust op de dood.