Op de ambulance

Ambulance

Op uitnodiging van de ambulancedienst reed ik een aantal dagen mee om een goed beeld te krijgen van het werk van ambulanceverpleegkundigen. Spanning en actie? Zeker, maar mij is vooral het vele wachten bijgebleven. Er gingen soms uren voorbij zonder melding. We reden rondjes door de mooie havenstad of aten een ijsje in de zon bij het standbeeld van de beroemde staatsman. Als de politie langsreed zwaaiden we vriendelijk.

‘Voor hen is dit niet weggelegd’, vertelde ambulanceverpleegkundige Johan terwijl hij de fietsende agenten nakeek. Hij nam nog een likje van de oubliehoorn met chocolade-ijs. Erik, de wat oudere chauffeur, zette zijn zonnebril op. ‘Als de politie ergens gaat zitten niksen worden ze uitgekafferd’, zei hij. ‘Ga eens boeven vangen, luie gasten!’ Zoiets horen wij dus nooit.’ ‘Dat wij hier een ijsje eten’, vulde Johan aan, ‘betekent voor mensen dat er niets aan de hand is. Niemand is gewond, niemand is in levensgevaar.’

De rust werd plots verstoord door een A1 melding. De ijsjes verdwenen in de vuilnisbak en binnen no time scheurden we met zwaailicht en sirene door de smalle straatjes bij de haven, via de ringweg naar de hoogbouw in de buitenwijk. Op de boardcomputer lazen we over een man met een lekkend aneurysma in zijn aorta. Hij was nog bij bewustzijn maar zijn bloeddruk daalde snel.

De donkere flat waar we belanden was ingericht met meubels uit de jaren zeventig. Een volle asbak sierde de tafel. De patiënt bevond zich samen met de huisarts in de slaapkamer. Fred - zo stelde de man van middelbare leeftijd zich voor - zag bleek en klam. ‘Laatste bloeddruk is vijfenzeventig over vijfenveertig’, zei de vrouwelijke huisarts. Johan ging op de rand van het bed zitten. Terwijl hij Fred uitvroeg en geruststelde wist hij feilloos een infuus te plaatsen. Tegelijkertijd bevestigde Erik geroutineerd de monitorplakkers op de borst van de man. Ik mocht zowaar de infuuszak omhooghouden bij het overtillen naar de brancard. Niet veel later scheurden we de parkeerplaats af. We zijn hooguit vijf minuten binnengeweest.

De shockroom van het plaatselijke ziekenhuis maakte indruk: felle lampen, monitors en infuuspalen vol moderne pompen. Een man of zeven verzamelde zich rondom Fred, die inmiddels op een grote onderzoekstafel lag. Na een korte overdracht wensten we hem sterkte en vertrokken weer. Ik zag nog net hoe zijn buik werd ingesmeerd met geleidende gel voor een echoscopie.

De zon stond iets lager bij het standbeeld van de beroemde staatsman, maar veel scheelde het niet. We aten een patatje oorlog. ‘Weet je, zei Johan, ‘het is onze taak om mensen te stabiliseren en snel naar het ziekenhuis te vervoeren. Infuus erin en gaan!’  Erik zette zijn zonnebril weer op. ‘En als de shockroom het overneemt zit onze taak erop, zo simpel is het.’

‘Je liep wel een beetje in de weg’, zei Johan na een korte stilte, ‘normaal gesproken zijn we veel sneller.’ Erik gaf me daarop een pets tegen mijn achterhoofd, ‘Maar je hebt de infuuszak perfect omhoog gehouden!’ In de schaduwkant van het plein liepen twee agenten. We zwaaiden vriendelijk. Een patatje oorlog zat er voor hen voorlopig niet in.