Kandidatenziekte

Kwart over tien op vrijdagochtend. De koffiekamer van de afdeling oncologie loopt langzaam maar zeker vol voor de pauze. Plots staat er een kleine, magere gestalte in de deuropening. Ze steunt zichtbaar op haar infuuspaal. In haar andere hand heeft ze een kleine doos. Vermoeide, gele ogen zoeken contact. ‘Jolanda’, zegt de teamleider verrast, ‘ben je hier helemaal naar toe gelopen?’

Onder de vermoeide ogen breekt een glimlach door. Het valt stil in de koffiekamer. ‘Ik ga vandaag naar huis’, fluistert ze, ‘en ik wilde jullie heel erg bedanken.’ Met pijn en moeite houdt ze de doos tompouces iets omhoog. ‘Dit is voor jullie.’

Het zijn mensen als Jolanda die maken dat ik op vrijdagavond in de kroeg nauwelijks over mijn werk kan vertellen. Wie zit er te wachten op het verhaal van een jonge, uitbehandelde vrouw die naar huis gaat om te sterven? De meeste van mijn vrienden niet. Ze zouden er ’s nachts wakker van liggen, of bang worden bij het roken van een sigaret. Ik ben vaak genoeg afgekapt aan de borreltafel. ‘Nu even niet over je patiënten Huug, we zitten net gezellig bier te drinken.’

Gek genoeg lijkt het verhaal van Jolanda mijn collega’s niet te deren. Nadat ze haar een hand hebben gegeven en sterkte hebben gewenst drinken ze vrolijk hun koffie en rommelen met hun tompouce. Een aantal staat naar verloop van tijd op om beneden een sigaret te roken. Er zijn mensen die dat schandalig vinden. Het zou niet respectvol zijn naar al die mensen die er dood aan gaan. Zelf vind ik het vooral knap. Knap dat je al die ellende om je heen niet op jezelf weet te betrekken.

Je kunt niet van de ene op de andere dag voor ernstig zieke mensen zorgen zonder geconfronteerd te worden met je eigen kwetsbaarheid. Zo ontwikkelen studenten geneeskunde tijdens de beginfase van de studie nogal eens “de kandidatenziekte”. De symptomen en aandoeningen die tijdens colleges aan de orde komen ontdekken ze bij zichzelf. Als een student geneeskunde naar de dokter gaat met vage klachten is een van de eerste vragen die de arts stelt: ‘Welk blok behandelen jullie nu?’ 

Je zou verwachten dat verpleegkundigen ook lijden aan een soort van kandidatenziekte. Wanneer je dag in dag uit voor ernstig zieke mensen zorgt, niet zelden van je eigen leeftijd, kan dat toch onmogelijk van je af glijden? Is ‘wanneer ben ik aan de beurt’ niet een gedachte die zich steeds hardnekkiger opdringt?

Gek genoeg gaat het daar nooit over tijdens de koffiepauze. Ik kan me ook niet herinneren dat angst om zelf ziek te worden ooit in de opleiding aan de orde is geweest. Wellicht is dat een soort beschermingsmechanisme. Als we het er niet over hebben, dan bestaat het ook niet.

Drie maanden later werk ik weer op de afdeling oncologie. Er is weinig veranderd. Er wordt vrolijk koffie gedronken, een paar collega’s gaan naar verloop van tijd ‘even naar beneden’. Op het prikbord hangt een aantal rouwkaarten. Ook die van Jolanda. Ze is 38 jaar geworden.