Euthanasie: een medaille met twee kanten

Op donderdag 9 februari ging De goede dood in première. Het is de verfilming van het gelijknamige toneelstuk dat in 2008 de Toneel publieksprijs won. Vertaald naar klassiek Grieks betekent goede dood “euthanasie”.

De film gaat over Bernhard, die lijdt aan terminale longkanker. Bernhard wil de dood niet afwachten. Hij wil niet stikken in zijn eigen slijm of overlijden aan een longbloeding. In het zicht van de dood kiest hij zijn eigen weg. Samen met zijn huisarts, die tevens een goede vriend is, heeft Bernhard het moment bepaald waarop hij voorgoed zal inslapen: ’s ochtends, om negen uur.

De laatste avond van zijn leven brengt Bernhard door met zijn naasten. Wat we zien is een typisch Hollands schouwspel, wars van taboes, vol tolerantie. De oudste broer van Bernhard is zakenman. Hij brengt ongegeneerd de erfenis ter sprake en vraagt zich openlijk af of het wel zo verstandig is om nu al uit het leven te stappen. 'Kan de dood niet wachten?' De jongste broer is autistisch. Hoewel afwijkend in zijn gedrag hoort hij er helemaal bij. Hij is het die een lach tovert op de betraande gezichten. En Bernhard zelf? Hij straalt de rust uit van iemand die vastbesloten is.

Omringd door mensen die hij lief heeft wordt Bernhard ’s ochtends in slaap gebracht. Daarna krijgt hij, door een infuus, het dodelijke middel toegediend. De moedige wijze waarop Bernard het grote niets in de ogen kijkt dwingt respect af. Het is euthanasie zoals wij het graag zien. Het is de goede dood waarop wij zo trots zijn als Nederlanders.

Een dag later las ik de reconstructie die NRC Handelsblad had gemaakt van de eerste euthanasie op een ernstig demente mevrouw. De vrouw had ooit een sterke euthanasiewens, maar was niet meer in staat die nog helder te verwoorden. Tegen de ingeschakelde SCEN-arts zei ze: ´Doodgaan wil ik niet. Dan ben ik niets meer´. De SCEN-arts raadde de huisarts euthanasie als vanzelfsprekend af.

Een tweede SCEN-arts gaf wel zijn akkoord, dit op basis van een schriftelijke wilsverklaring die de vrouw in een eerder stadium van haar ziekte had laten opstellen. De huisarts besloot daarop de euthanasie toch uit te voeren.

Waar Bernhard uit De goede dood het grote niets vastbesloten in de ogen keek, daar wist deze ernstig demente vrouw van niets. ’S Ochtends kreeg ze stiekem slaapmiddelen van haar echtgenoot. Eenmaal onder zeil werd ze naar de slaapkamer gebracht. De huisarts bleef daar alleen achter met de vrouw. Er mocht van hem niemand bij zijn, ook de echtgenoot niet.

Toen hij een infuus bij de dementerende vrouw wilde prikken stribbelde ze tegen. Ze kreeg daarop een injectie Dormicum van de huisarts. Eenmaal geheel buiten bewustzijn gaf hij haar een infuus met dodelijke medicatie. Ze stierf, zonder te weten dat ze zou sterven.

Een dag eerder was ik nog trots dat wij in Nederland euthanasie mogelijk hebben gemaakt. Dat de dood, hoewel onvermijdelijk, op een goede manier gestorven kan worden. Na het lezen van de reconstructie in NRC Handelsblad voelde ik schaamte. Schaamte voor de gang van zaken. Schaamte voor de stilte die volgde op de reconstructie in NRC.