De koekjesaffaire

Onlangs, kort na de artsenvisite, liep ik de zaal op om mevrouw de Jong naar de douche te begeleiden. Haar operatiewond moest worden gespoeld en daar had ik net mooi tijd voor. Toen ik naar de kast liep om verbandmateriaal te pakken werd ik plots gegrepen door een wonderlijk stilleven: tussen het bed van mevrouw de Jong en het bed van haar buurman lag een rommelig stapeltje volkorenbiscuitjes. De meesten waren nog heel, een paar waren gebroken en deels verkruimeld. De koekjesrol stond echter gewoon op het nachtkastje van de buurman, buiten zijn bereik.

‘Hoe komen die koekjes daar nou op de grond?’, vroeg ik verbaasd aan mevrouw de Jong. Haar buurman was weer ingedommeld. ‘Dat heeft de dokter gedaan’, antwoordde ze zachtjes. ‘De dokter?  En dat had de dokter niet in de gaten?’ ‘Jawel’, zei ze enigszins beschaamd, ‘want ze heeft de koekjesrol weer teruggezet op het nachtkastje.’ ‘En de biscuitjes gewoon laten liggen?’ De patiënte zei niets, maar haalde veelbetekenend haar schouders op.
 
Ik heb tijdens mijn verpleegkundige carrière al heel wat medische grootheidswaanzin voorbij zien komen, maar dit ging toch wel erg ver. Hier, zo besloot ik, moest een daad worden gesteld. ‘Mevrouw de Jong, ik kom u zo helpen met douchen, maar eerst ga ik even met de dokter praten.’ 

De arts stond samen met haar coassistenten op de gang visite te lopen met Winny, een Surinaamse verpleegkundige. Het weerhield mij er niet van om rustig tussen beide te komen en streng tegen de arts te zeggen: ‘Sorry dat ik even stoor, maar zou je de volgende keer als je koekjes op de grond gooit, dat gewoon zelf op willen ruimen?’ ‘Eh…ja’, zei de jonge arts, haast zonder op te kijken. ‘Dank je wel’. 

Tijdens de koffiepauze kwam Winny naar me toe. Ze was trots dat ik zo assertief had gereageerd. Zelf had ze ook een hekel aan artsen die rommel lieten slingeren in de veronderstelling dat de verpleging het wel opruimt. We wisselden ervaringen uit en ik dacht dat we helemaal op één lijn zaten, tot ik zei dat ik nog even de overgebleven kruimels op ging vegen. ‘Wat’, zei ze, ‘dat hoef jij toch niet te doen? Je kunt het gewoon voor de schoonmaker laten hoor.’ Het was op dat moment dat ik de arts vergaf voor haar houding. Hiërarchische organisaties doen kennelijk vreemde dingen met mensen.