De uitvoering van zinloos geweld

Mevrouw van Schinkel heeft een longontsteking ontwikkeld. Eten en drinken doet ze nauwelijks nog, en haar intake hield al niet over. Negentig is ze, diep dement en sinds twee jaar woonachtig in een oud, grootstedelijk verpleeghuis. De verzorgende zet het bakje vla terug op het nachtkastje. Ze ziet in dat het geen zin heeft de slapende vrouw iets aan te bieden. Met een nat washandje dept ze haar droge lippen. ‘Het is goed zo schatje’, mompelt ze, ‘het is goed zo’.

Op hetzelfde moment, in een aftands kamertje buiten de afdeling, gaat de jonge afdelingsarts in gesprek met haar dochter over de wenselijkheid van een palliatieve benadering.  Daar wil de vrouw, zelf inmiddels ook bejaard, echter niets van weten. ‘Moeder hangt erg aan het leven’ zegt ze emotioneel. ‘U kunt haar toch niet zomaar een behandeling onthouden?’ De jonge arts schrikt van de felheid en de tranen. Hoewel hij zich iets anders had voorgenomen laat hij zich toch overrompelen. Hij start met sondevoeding en antibiotica.

Dit is nu de alledaagse werkelijkheid achter het abstracte concept overbehandeling: een stervende kwetsbare oudere, een kind of partner die het woord voert en ‘er nog niet aan toe is’ dat zijn of haar geliefde naaste daadwerkelijk overlijdt. En, uiteraard, een arts die de boodschap van een op handen zijnde dood niet goed weet over te brengen.

Je kunt met een gerust hart stellen dat de sondevoeding en de antibiotica voor mevrouw van Schinkel vooral bedoeld zijn om de emoties bij de dochter te behandelen. Aanslaan zal de medicatie niet, maar het creëert wel tijd om te wennen aan het idee dat moeder daadwerkelijk sterven gaat. Het is de medische invulling van de ontkenningsfase in het rouwproces. Als mevrouw van Schinkel uiteindelijk overlijdt kan de dochter zonder schuldgevoelens afscheid nemen. Aan haar heeft het niet gelegen.

Voor het rouwproces is de behandeling wellicht nuttig en verklaarbaar, vanuit medisch perspectief is het behoorlijk zinloos. En wanneer het medisch zinloos is, is het ook schadelijk. Er wordt dus flink wat afgeschaad, verondersteld dat de overbehandeling van mevrouw van Schinkel niet op zichzelf staat. Wie voert die schade eigenlijk uit? Wie plaatst de maagsonde en wie dient de antibiotica toe? Inderdaad, de verpleging. De verzorgende die eerder nog zei ‘het is goed zo’ en liefdevol de lippen van de oude vrouw bevochtigde krijgt helaas de opdracht een maagsonde te plaatsen en de voeding langzaam op te bouwen. Misschien doet ze het zelf, misschien komt een verpleegkundige langs om het slangetje te plaatsen en mag ze slechts assisteren. Hoe dan ook zal ze niet achter haar handelen staan. Ze zal het gevoel hebben mevrouw van Schinkel geweld aan te doen. Misschien heeft ze het gevoel dat zijzelf geweld wordt aangedaan, omdat uitgerekend zij die stomme handeling moet uitvoeren.

Het is natuurlijk gissen. We weten immers niet hoe de verpleging de veronderstelde overbehandeling ervaart. Verpleegkundigen en verzorgenden zijn stille krachten op de achtergrond naar wier beleving wij nooit onderzoek doen. Waarom eigenlijk niet?